Ontwikkelingsgericht onderwijs

Echte spel- en onderzoeksactiviteiten zorgen voor betekenisvolle leerinhouden.
Echte problemen en kwesties dagen uit tot kritisch handelen en denken.
Samen werken we aan de brede ontwikkeling van kinderen...

Als een kind in groep 1 start is de eerste insteek het creëren van een omgeving waarin hij zich veilig en geaccepteerd voelt, zodat hij zich verder kan gaan ontwikkelen. Succeservaringen en complimenten geven zijn van groot belang als het gaat om dat veilige gevoel. Een nieuwsgierig kind dat wil onderzoeken, neemt initiatief en ontdekt, waardoor er een leerproces ontstaat.
De leerkracht speelt een belangrijke rol. Zij schept voorwaarden, observeert en draagt middelen en mogelijkheden aan om het kind een stap verder te brengen. Dit noemen we de zone van de naaste ontwikkeling. Zij speelt waar nodig mee en heeft een deelnemende rol. Zij stimuleert, bemiddelt en helpt de kinderen zelf oplossingen te laten bedenken. Belangrijk hierbij is de betrokkenheid van de kinderen zo groot mogelijk te laten zijn waardoor zij makkelijker kunnen leren en onthouden. Ze brengt de betekenis van de kinderen en haar eigen doelen samen. Daarbij stelt ze zichzelf de volgende vragen: Hoever is het kind in zijn ontwikkeling? Hoe maak ik het nieuwsgierig en daag ik het uit? Wat bied ik de kinderen aan? Hoe breng ik de wereld in de klas?
Het uitgangspunt daarbij is het thema dat als kapstok fungeert voor de verschillende activiteiten. De leerkracht, al of niet in overleg met de kinderen, bekijkt welk thema op dat moment het beste past.
Rondom vijf kernactiviteiten plant zij het aanbod binnen dat thema:
1. Spelactiviteiten: het spel is hét middel. Door te spelen krijgen kinderen grip op de wereld. Het is hun manier om de wereld te leren kennen. Daarom halen wij zoveel mogelijk de échte wereld in school.
2. Gespreksactiviteiten: Er zijn tal van taalactiviteiten die in de kring worden aangeboden, zoals: woordenschatuitbreiding, juiste zinsbouw, fonetisch bewustzijn, prentenboeken, voorlezen, versjes, liedjes en taalspelletjes 
3. Constructieve- en beeldende activiteiten: experimenteren kan leiden tot toevallige producten waar kinderen iets in herkennen. De kinderen vertellen over hun product waarbij de ontwikkeling van taal wordt uitgelokt. Er hangen in de klas unieke werkstukken, niet ieder kind maakt namelijk hetzelfde. Het bouwen krijgt steeds meer inhoud. Technieken zoals bouwen over de voeg worden aangeboden. Een bouwtekening lezen is de volgende stap en zo wordt het spel steeds meer een activiteit die verder gaat dan alleen plezier hebben. 
Er wordt heel wat geleerd op het gebied van rekenen en wiskunde. Zo gaan de kinderen langzamerhand van een spelactiviteit naar een echte leeractiviteit.
4. Reken- en wiskundeactiviteiten: Alledaagse dingen worden nagebootst. Vanuit het thema leren de kinderen vergelijken, sorteren, schatten, getalbegrip, cijfersymbolen, tellen en meten. 
5. Lees- en schrijfactiviteiten: kinderen willen graag deel van de wereld zijn. Het spreken van een taal is daarbij behulpzaam. Op vele manieren worden geschreven teksten aangeboden. Eerst krabbelt een kind een boodschap. Daarna wil het echt opschrijven wat het heeft gezegd. Zo ontstaan de lees- schrijfactiviteiten. De stempeldoos en computer nemen een belangrijke rol in, in de lees- schrijfhoek. De ontdekking dat een ander kan lezen wat is geschreven, geprint of gestempeld, geeft verwondering bij de kinderen. In groep 1 zijn ze al druk met teksten. Kinderen vertellen over hun tekening en de leerkracht schrijft dit erbij. In groep 2 worden de themaletter en het gebaar die bij die letter horen aangeboden, we “hakken en plakken” en in nauw overleg is er een doorgaande lijn met groep 3.
Op de computer worden teksten verwerkt en hebben alle kinderen hun eigen map waar dit in wordt opgeslagen.
Door alle activiteiten heen verweven zitten tevens de doelen van zelfredzaamheid, zelfstandig leren oplossen van problemen en het nemen van eigen initiatief.
Aan het einde van de dag reflecteren de kinderen op hun eigen handelen. De ondernomen activiteiten worden met de kinderen besproken, er worden conclusies aan verbonden en er wordt bekeken hoe ze met de volgende activiteit verder kunnen gaan. De leerkracht stelt daarbij veel vragen die het kind uitlokken tot nadenken over zijn handelen. Ze gaat ook in op interacties tussen de kinderen. 
De doelen en planning worden vastgelegd in het activiteitenboek. Alle kinderen hebben een logboek waarbij de leerkracht en het kind zoveel mogelijk gezamenlijk hun ontwikkeling bijhouden.

In het leerlingvolgsysteem houdt de leerkracht de ontwikkeling van elke leerling bij. Deze ontwikkeling wordt drie keer per jaar tijdens de gespreksavonden besproken met de ouders..

School video

Sociale media

Volg ons voor het laatste nieuws ook op Facebook.